Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/21145/GV, 6 september 2021, beroep
Uitspraakdatum:06-09-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          21/21145/GV

    

           

Betreft [klager]

Datum 6 september 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 21 april 2021 klagers verzoek om incidenteel verlof afgewezen.

Klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft klager en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager heeft verzocht om incidenteel verlof om zijn woning te ontruimen, in het bijzonder om de erfstukken van zijn overleden ouders uit de woning te halen. Nu klagers verlofaanvraag is afgewezen, dreigt hij deze spullen kwijt te raken. Het klopt niet dat er onvoldoende zou zijn aangetoond dat klagers broer niet in staat is om de woning te ontruimen. De inrichting was op de hoogte van de fysieke klachten van klagers broer. Hij heeft namelijk een formulier naar de inrichting gestuurd met daarin zijn toestemming om medische gegevens op te vragen. Klagers broer is zwaar longpatiënt, heeft een tumor in zijn rug en is zodanig slecht ter been dat hij zich in een scootmobiel moet verplaatsen. Dit alles is eveneens telefonisch meegedeeld en de inrichting is dit nagegaan bij de medisch adviseur van de afdeling Individuele Medische Advisering (IMA).

Via de aan de inrichting verbonden dominee is per e-mail gevraagd of vrijwilligers bereid waren om klagers woning te ontruimen. Zij wilden echter deze verantwoordelijkheid niet nemen. Dit heeft de dominee aan klager mondeling bevestigd, waarop klager heeft geantwoord dat hij liever ook niet wil dat vreemde mensen aan de spullen van zijn overleden ouders zitten. In het advies van de directeur wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat klager heeft gezegd dat de vrijwilligers de verantwoordelijkheid zouden nemen.

Er bestaan verder geen contra-indicaties voor verlofverlening, omdat klager positief gedrag vertoont in de inrichting, geen drugs gebruikt en omdat eerder genoten verloven (in 2017) goed zijn verlopen.

Standpunt van verweerder

Klager heeft de noodzaak voor het verlenen van het incidenteel verlof onvoldoende onderbouwd. Eerder heeft hij een vergelijkbare verlofaanvraag ingediend, die bij beslissing van 27 november 2020 is afgewezen. Bij uitspraak van 16 maart 2021 (R-20/8690/GV) heeft de beroepscommissie het tegen deze beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tot op heden heeft klager geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat en wanneer de woning ontruimd moet worden, dat klager daartoe geen bedrijf kan inhuren en dat klagers broer fysiek niet in staat is om de waardevolle spullen uit de woning te halen. Verder heeft klager, zo volgt uit het vrijhedenadvies, geen gebruik willen maken van het aanbod dat (vrijwilligers bij) de geestelijke verzorging zijn woning (wil)len ontruimen. Er bestaan geen redenen om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen.

Uitgebrachte adviezen

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft, in het kader van klagers eerdere, identieke verlofaanvraag, negatief geadviseerd. Het OM heeft uiteengezet waarvoor klager is veroordeeld en stelt dat incidenteel verlof niet mogelijk is in zijn situatie. Hij is eerder veroordeeld vanwege afpersing (daarbij heeft hij een buschauffeur met een vleesmes overvallen) en is al eerder veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen voor vergelijkbare strafbare feiten. Uit de adviesaanvraag blijkt daarnaast dat klagers gedrag in de inrichting wisselend is te noemen. Hij veroorzaakt regelmatig conflicten met medegedetineerden en verspreidt onjuistheden over personeel en medegedetineerden. Als anders wordt beslist, dan meent het OM dat het verlof onder begeleiding van de Dienst Vervoer & Ondersteuning moet plaatsvinden.

De medisch adviseur acht het verlenen van strafonderbreking op medische gronden niet noodzakelijk. Klagers verlofaanvraag ziet niet op de verzorging van een naaste die van hem afhankelijk is. De medisch adviseur kan een beschrijving geven van de gezondheidstoestand van klagers broer, indien voor het opvragen van medische gegevens toestemming wordt gegeven. Het is desondanks niet zeker of uitsluitsel kan worden gegeven over de vraag of klagers broer in staat is de woning te ontruimen. Tenzij zijn broer doodziek op bed ligt, zijn er genoeg klachten of aandoeningen waarbij dit niet eenduidig is.

De directeur van de Penitentiaire Inrichting Dordrecht heeft, naar aanleiding van het advies van het multidisciplinair overleg en mede gelet op de adviezen van het OM en de medisch adviseur, negatief geadviseerd ten aanzien van de verlofaanvraag. Aan klager is aangeboden om de woning (via de geestelijke verzorging) door vrijwilligers te laten ontruimen. Van deze mogelijkheid wenst klager geen gebruik te maken, omdat hij anderen niet met zijn spullen vertrouwt.

De politie heeft zich van advies onthouden.

 

3. De beoordeling

Klager is sinds 15 januari 2020 gedetineerd. Hij is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar met aftrek, wegens diefstal met bedreiging met geweld (een overval op een tankstation). Daarnaast dient hij een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, te ondergaan. De fictieve einddatum van klagers detentie is momenteel bepaald op 24 december 2023.

In artikel 21 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) is bepaald dat incidenteel verlof kan worden verleend voor het bijwonen van gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is.

Klager heeft verzocht om incidenteel verlof om zijn woning te ontruimen, in het bijzonder om de erfstukken van zijn overleden ouders uit de woning te halen.

Naar het oordeel van de beroepscommissie is de noodzaak voor het verlenen van incidenteel verlof onvoldoende aannemelijk geworden. Uit het advies van de medisch adviseur maakt de beroepscommissie op dat de vraag of klagers broer fysiek in staat is om de woning te ontruimen niet of onvoldoende zal kunnen worden beantwoord. Los daarvan, is niet (met stukken) onderbouwd dat en wanneer de woning ontruimd moet worden en dat klager of zijn broer daartoe geen bedrijf kan inhuren. Klager heeft bovendien, zo blijkt uit het advies van de directeur, het aanbod afgeslagen om de woning door (aan de geestelijke verzorging verbonden) vrijwilligers te laten ontruimen. Dat hij er de voorkeur aan geeft om dit zelf te doen is begrijpelijk, maar onvoldoende zwaarwegend om hem tijdelijk de inrichting te doen verlaten.

Overigens is klagers verzoek om incidenteel verlof ook afgewezen, vanwege de (kennelijke) onduidelijkheid over de aan het verlof verbonden risico’s, gezien de aard en de pleegplaats van het strafbare feit waarvoor klager thans is gedetineerd en het lopende hoger beroep. Zonder nadere onderbouwing kan dit een afwijzing van zijn verlofaanvraag echter niet dragen.

Nu de noodzaak voor het verlenen van incidenteel verlof ontbreekt, kan de bestreden beslissing, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 6 september 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. D.W.J. Vinkes, voorzitter, mr. S. Djebali en mr. J.M.L. Niederer, leden, bijgestaan door mr. M.G. Bikker, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven