Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/6272/TA, 30 april 2021, beroep
Uitspraakdatum:30-04-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-20/6272/TA

    

          

Betreft [klager]

Datum 30 april 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft (voor zover in beroep aan de orde) beklag ingesteld tegen:

a.  Beperking van zijn bewegingsvrijheid binnen de inrichting (K-2019-314);

b.  Beschadiging van persoonlijke voorwerpen (K-2019-315).

De beklagcommissie bij FPC De Kijvelanden te Poortugaal (hierna: de instelling) heeft op

2 maart 2020 de klachten ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. A.L. Louwerse, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en het hoofd van de instelling in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

K-2019-314

Klager heeft beklag ingesteld tegen de maatregel van 30 september 2019 waarbij hij is gesepareerd en het voortduren van deze maatregel tot 1 oktober 2019. Klager heeft eveneens beklag ingesteld tegen de maatregel van 1 oktober 2019 waarbij hij, in

aansluiting op de maatregel van 30 september 2019, is afgezonderd en het voortduren van deze maatregel tot 8 oktober 2019. De maatregelen zijn op dezelfde grondslag opgelegd. Klager vindt deze maatregelen ongegrond en disproportioneel. Klager stelt zich op het standpunt dat een roddel geen grondslag zou moeten zijn voor een kamercontrole. De in zijn kamer aangetroffen 1,5 gram hasj en twee pillen (Viagra) betroffen middelen voor eigen gebruik. De reden dat klager gesepareerd is, zijn de braakgeluiden die een staflid zegt te hebben gehoord. Klager betwist dat sprake zou zijn geweest van braakgeluiden. Klager had niet naar de separeer gehoeven. Hij heeft aangeboden om naar het ziekenhuis te gaan voor een scan of om zijn maag leeg te pompen, om te bewijzen dat hij geen contrabande heeft ingenomen. Er worden gedurende de eerste uren van separatie ook geen somatische klachten waargenomen. Klager had toen dus op afzondering geplaatst kunnen worden, want hij is ook niet elk uur gecontroleerd in de separeer. Ook is aan klager geweigerd om die avond met zijn advocaat te spreken. Klager heeft verder op 4 oktober een herstelgesprek met de waarnemend Hoofd Behandelaar aangevraagd, dit herstelgesprek heeft pas op 8 oktober plaatsgevonden, waarna de maatregel is beëindigd. Klager stelt zich op het standpunt dat de maatregel dus korter had kunnen duren. De instelling heeft aangegeven dat de datum van het herstelgesprek er niet toe deed, omdat klager nog niet aan de overige voorwaarden tot opheffing van de maatregel had voldaan, te weten: duidelijkheid geven over de herkomst van de contrabanden en het inleveren van een schone urinecontrole (UC). Dat klager niet wil vertellen van wie hij binnen de instelling de contrabande heeft gekocht, mag geen reden zijn om klager langer in afzondering te houden, omdat dit niet zonder risico voor klager zou kunnen zijn. Verder is klager pas een week na separatie een UC aangezegd. Deze UC kwam weliswaar positief terug, maar dat zou een afdelingsarrest rechtvaardigen, niet een afzondering. Klager verzoekt zijn beroep gegrond te verklaren en een compensatie vast te stellen voor elke dag dat hij ten onrechte gesepareerd dan wel afgezonderd is geweest.

 

K-2019-315

Klager klaagt over de beschadiging tijdens zijn separatie en afzondering van twee jassen, zijn televisie en een horlogedoosje. Dit kan enkel zijn gebeurd bij een van de kamercontroles dan wel de verhuizing naar een andere afdeling. De instelling kan niet staven dat dit niet zo is. De instelling moet zorgvuldig met klagers eigendommen omgaan. Bij de kamercontroles had de instelling ervoor moeten kiezen om zijn jassen en het horlogedoosje te scannen net als zijn kussens. In dat geval waren zijn eigendommen niet beschadigd geraakt. Klager verzoekt zijn beroep gegrond te verklaren en alsnog tot een vaststelling te komen van aansprakelijkheid en een schadevergoeding.

 

Standpunt van het hoofd van de instelling

K-2019-314

Op 30 september 2019 krijgt het behandelteam signalen dat klager hasj en xtc aanbiedt aan medepatiënten. Er is daarom besloten een kamercontrole bij hem uit te voeren. Klager gaf aan dat er niets van het verhaal klopte. Vervolgens wordt er contrabande aangetroffen in de kamer, namelijk een bolletje hasj en twee pillen. Volgens klager betreffen de pillen Viagra, wat hem niet is voorgeschreven. Klager wil niet zeggen van wie hij de contrabande heeft en zegt dat er geen andere middelen op zijn kamer zijn. Na afloop van de controle is klager ingesloten op zijn kamer en heeft hij in eerste instantie een maatregel kamerafzondering opgelegd gekregen. Enige tijd later hoort een staflid bij de deur van de kamer van klager duidelijk braakgeluiden uit de kamer komen. De gehoorde geluiden kunnen te maken hebben met het inslikken van contrabande. Aangezien klager niet eerlijk is geweest over de contrabande op zijn kamer, hij een vijandige houding heeft en het niet duidelijk is waarom er braakgeluiden zijn gehoord vanuit zijn kamer is in overleg besloten dat het noodzakelijk is om de kamer van klager nogmaals te controleren. Bij de tweede kamercontrole is opnieuw contrabande aangetroffen. Het behandelteam acht het daarnaast noodzakelijk dat klager in de separeerruimte onder cameratoezicht wordt geplaatst om te kunnen monitoren of zijn geestelijke of lichamelijke toestand verandert als gevolg van het mogelijk inslikken van contrabande. Dit kan niet op kamerafzondering. Er is daarom een maatregel separatie aangezegd. Het was niet noodzakelijk hem direct in te sturen naar het ziekenhuis voor controle. Dat had alsnog gekund als hij last zou krijgen van mogelijk ingeslikte contrabande. Klager is rond 18.00 uur door de psychiatrische voorwacht gezien. Op dat moment had klager geen lichamelijke klachten. Het is mogelijk dat dit pas later optreedt, daarom was het niet mogelijk om hem op dat moment al terug te laten keren naar zijn kamer. Er is afgesproken dat er in de avond, naast het cameratoezicht, iedere 30 minuten contact met hem wordt gemaakt en hij gedurende de nacht ieder uur wordt gecontroleerd op zijn somatische toestandsbeeld. Deze controles zijn ook uitgevoerd. In de dagrapportage wordt niets vermeld over een eventuele vraag van klager om zijn advocaat te mogen bellen.

Op 1 oktober schat het behandelteam in dat klager veilig kan verblijven op een kamer op de afdeling waardoor separatie niet meer noodzakelijk is. Een maatregel kamerafzondering wordt wel noodzakelijk geacht, omdat de situatie rond de gevonden middelen nog niet duidelijk is waardoor het nog niet verantwoord is om klager op de groep te laten verblijven. Er zijn verschillende voorwaarden gesteld waaraan klager moet voldoen voordat het verantwoord wordt geacht om de kamerafzondering op te heffen. Het voeren van een herstelgesprek met het waarnemend Hoofd Behandeling is één van die voorwaarden. Op 8 oktober heeft dit herstelgesprek plaatsgevonden. Klager heeft dan nog geen schone UC geleverd en heeft nog geen antwoord gegeven over de herkomst van de contrabande, maar omdat hij dan wel aan een aantal andere voorwaarden voldoet, is die dag de maatregel kamerafzondering beëindigd en omgezet in een maatregel afdelingsarrest. Gelet op het voorgaande is de instelling van mening dat het opleggen van beide maatregelen noodzakelijk was en dat de voortduring ervan niet onredelijk of onbillijk was.

 

K-2019-315

De instelling herkent zich niet in de klacht dat twee jassen, zijn televisie en een horlogedoosje tijdens de kamercontroles zouden zijn beschadigd. Door een staflid wordt aangegeven dat in de blauwe gewatteerde jas voorafgaand aan de controle aan de binnenkant al een grote scheur zat. Gezien de gewatteerde voering is deze jas voorzichtig onderzocht. Bij de andere jas is geen schade gezien. Verder hebben de medewerkers aangegeven dat ze met zekerheid kunnen zeggen niets te hebben beschadigd bij de controles. Tijdens kamercontroles dient zorgvuldig met de spullen van patiënten omgegaan te worden en de instelling heeft geen aanwijzingen dat dat in dit geval niet is gebeurd.

Het controleren van alle kleine spullen met een scanapparaat – zoals door de Commissie van Toezicht voorgesteld - kost veel tijd en personele inzet en is geen oplossing omdat er ook dan discussie zou kunnen ontstaan over al dan niet toegebrachte schade.

De instelling stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat door toedoen van medewerkers van de instelling schade is ontstaan aan spullen van klager.

 

3. De beoordeling

K-2019-314

De beroepscommissie is gelet op de stukken van oordeel dat het niet onredelijk of onbillijk was om klager op 30 september 2019 te separeren en in aansluiting daarop op 1 oktober 2019 op kamerafzondering te plaatsen en dit voort te laten duren tot 8 oktober 2019. De maatregelen zijn, zoals klager stelt, cumulatief omdat zij zijn opgelegd op dezelfde grondslag. Voor klagers stelling, dat de instelling meer basis zou moeten hebben voor het uitvoeren van een kamercontrole, separatie en afzondering dan een roddel van een medepatiënt, wordt geen grondslag in het recht of vaste jurisprudentie gevonden. Temeer omdat ook daadwerkelijk drugs zijn aangetroffen in de kamer van klager en dat drugs in de instelling een groot gevaar opleveren voor de orde en veiligheid. Het separeren van klager, omdat er vrees was voor zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid nadat braakgeluiden vanuit zijn kamer waren gehoord, acht de beroepscommissie niet onredelijk of onbillijk. Klagers stelling dat hij bereid was om ter controle naar een ziekenhuis te gaan, doet daar niet aan af. Het is aan de instelling om te oordelen op wat voor manier de geestelijke of lichamelijke toestand van klager kan worden gemonitord op het moment dat er een vermoeden is dat klager contrabande heeft ingeslikt. 

Het standpunt van klager dat hij tijdens de separatie niet elk uur is gezien, is door klager niet nader onderbouwd en is afdoende weersproken door het hoofd van de instelling.

Met betrekking tot klagers stelling dat hij op 30 september 2019 zijn advocaat niet mocht bellen, overweegt de beroepscommissie dat een belverzoek of de weigering ervan kennelijk  niet blijkt uit de dagrapportage. Vast staat dat klager op 1 oktober 2019 met zijn advocaat heeft kunnen bellen en dat hij tijdig beklag heeft kunnen indienen.

De beroepscommissie is verder van oordeel dat de duur van de kamerafzondering niet onredelijk lang heeft geduurd. Klager heeft op 4 oktober een herstelgesprek met de waarnemend Hoofd Behandelaar aangevraagd, welk gesprek op 8 oktober heeft plaatsgevonden, waarna de maatregel is beëindigd. In de tussenliggende periode heeft klager zijn uren op de afdeling kunnen uitbreiden en kunnen laten zien dat hij weer goed in contact was met de staf, dat hij aanwijzingen kon opvolgen en dat hij de orde en veiligheid voor zichzelf en anderen niet in gevaar bracht. Dit waren ook voorwaarden om de maatregel te kunnen beëindigen.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen inzake beklag a, kan de beslissing van het hoofd van de instelling niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre bevestigen met aanvulling van de gronden.

K-2019-315

Bij de verschillende medewerkers die betrokken waren bij de kamercontroles is door de instelling navraag gedaan over de eigendommen van klager. De beroepscommissie is van oordeel dat de instelling voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voorzichtig en verantwoordelijk is omgegaan met de eigendommen van klager, zowel tijdens de kamercontroles als tijdens de verhuizing naar een andere afdeling. Klager heeft zijn standpunt dat de instelling verantwoordelijk is voor de schade aan zijn twee jassen, televisie en horlogedoosje onvoldoende onderbouwd. Hetgeen in beroep is aangevoerd inzake beklag b kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagcommissie. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a en b ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie, wat betreft beklag onder a met aanvulling van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 30 april 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. A. van Holten, voorzitter, mr. drs. L.C. Mulder en mr. T.B. Trotman, leden, bijgestaan door mr. C.K. van Dijk, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven