Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/5403/GV, 9 april 2020, beroep
Uitspraakdatum:09-04-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-19/5403/GV             

Betreft [klager]            Datum 9 april 2020

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 27 november 2019 klagers verzoek tot algemeen verlof afgewezen.

Klagers raadsman, mr. E. van der Meer, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De stelling van verweerder dat sprake is van een hoog recidiverisico is onvoldoende onderbouwd. De reclassering heeft blijkens het advies van 14 september 2018, dat in het kader van klagers voorlopige hechtenis is uitgebracht, het recidiverisico ingeschat als gemiddeld. In de Pro Justitia-rapportage van 11 januari 2019 wordt geconcludeerd dat sprake is van een matig recidiverisico. Hoewel klager eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld, dateert de laatste veroordeling voor een delict in deze categorie uit het jaar 2014. In de bestreden beslissing is vermeld dat klager voor een nieuw strafbaar feit is veroordeeld tijdens een proeftijd. Dit betreft een veroordeling voor rijden zonder geldig rijbewijs, niet zijnde een geweldsdelict. Uit de uitgebrachte adviezen en rapportages blijkt dat van de weigeringsgronden zoals genoemd in de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) geen sprake is.

 

Standpunt van verweerder

In het advies van 25 oktober 2019 heeft de reclassering het recidiverisico als hoog ingeschat, in verband met de aanwezigheid van risicofactoren op de leefgebieden sociaal netwerk, middelengebruik en verslaving en psychosociaal functioneren. Daarnaast is aan de bestreden beslissing ten grondslag gelegd dat klager tijdens een proeftijd van een eerdere veroordeling het strafbare feit heeft gepleegd, waarvoor hij thans is gedetineerd. De eerdere veroordeling betrof het rijden zonder geldig rijbewijs. Uit het uittreksel justitiële documentatie, dat omvangrijk is, blijkt dat klager eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

 

Uitgebrachte adviezen

De directeur van de locatie Esserheem te Veenhuizen heeft positief geadviseerd ten aanzien van de verlofaanvraag, voor de duur van negen uur.

Het multidisciplinair overleg heeft positief geadviseerd ten aanzien van de verlofaanvraag. Indien klager zich in zijn thuissituatie kan begeven, zal dat in psychische zin een positieve invloed op hem hebben.

De politie heeft onderzoek gedaan naar het verlofadres en dit in orde bevonden.

Het Openbaar Ministerie heeft negatief geadviseerd ten aanzien van plaatsing in een Zeer Beperkt Beveiligde Inrichting en/of deelname aan een penitentiair programma (PP). Hiertoe wordt verwezen naar klagers uittreksel justitiële documentatie en de omstandigheid  dat hij de feiten waarvoor hij thans is gedetineerd tijdens een proeftijd heeft gepleegd. Het verlenen van vrijheden is onverantwoord, vanwege de omstandigheden waaronder deze delicten zijn gepleegd, klagers persoonlijkheidsstoornis, rouwstoornis, middelengebruik en zijn gebrek aan probleembesef. In het algemeen geldt dat detentiefasering zich niet verhoudt met een gedeeltelijk opgelegde voorwaardelijk straf en de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden.

 

3. De beoordeling

Klager is sinds 2 september 2018 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, wegens poging tot doodslag, bedreiging met zware mishandeling en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Daarnaast loopt een betalingsverplichting in verband met een aan klager opgelegde schadevergoedingsmaatregel van €4732,14. De einddatum van zijn detentie is momenteel bepaald op 21 augustus 2020.

Het beroep richt zich tegen de afwijzing van klagers eerste verlofaanvraag.

Vooropgesteld dient te worden dat bij verzoeken tot algemeen verlof een belangenafweging dient te worden gemaakt tussen enerzijds het individuele belang van de gedetineerde om zich tijdig en goed te kunnen voorbereiden op zijn terugkeer in de maatschappij en anderzijds het algemeen belang van – onder meer – de orde, rust en veiligheid in de samenleving en een ongestoorde tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf.

Uit de stukken, waaronder klagers uittreksel justitiële documentatie, blijkt dat hij de hierboven genoemde delicten heeft gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling vanwege, kort gezegd, rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid en/of rijden zonder geldig rijbewijs.

Volgens het reclasseringsadvies van 25 oktober 2019, dat is opgesteld ten behoeve van klagers eventuele deelname aan een PP, is het recidiverisico ingeschat als gemiddeld tot hoog. Deze inschatting is gebaseerd op de bij klager geconstateerde psychische problematiek, op aanwijzingen voor middelengebruik en op het uittreksel justitiële documentatie van klager dat vanaf 2015 een positief beeld laat zien, in die zin dat het aantal delicten afneemt. Een behandeling gericht op rouwverwerking en het stoppen met middelengebruik zal het aanwezige recidiverisico doen verminderen. Hierbij geldt dat het klager ontbreekt aan voldoende zelfcontrole en doorzettingsvermogen, dat hij moeite heeft (psychische) hulp te aanvaarden en dat hij weinig toekomstgericht is. De reclassering heeft het risico op letselschade en het risico op het zich onttrekken aan voorwaarden beoordeeld als gemiddeld. Bij dit laatstgenoemde risico is opgemerkt dat klager zich weliswaar in het verleden meerdere malen niet aan opgelegde (werk)straffen en voorwaarden heeft gehouden, maar dat bij klager, gelet op de laatste periode van aan hem opgelegd reclasseringstoezicht, een positieve ontwikkeling valt waar te nemen.

Naar het oordeel van de beroepscommissie vormen de aanwezig geachte risico’s een contra-indicatie voor verlofverlening en rechtvaardigen deze, ondanks het positieve advies van de inrichting, een afwijzing van klagers verlofaanvraag. Gelet op de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 4, aanhef en onder b., c., d. en e., van de Regeling, en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 9 april 2020 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. D. van der Sluis, voorzitter, F. van Dekken en mr. J.M.L. Niederer, leden, bijgestaan door mr. M.G. Bikker, secretaris.

      

secretaris        voorzitter

Naar boven