Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 02/2544/GA, 15 april 2003, beroep
Uitspraakdatum:15-04-2003

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 02/2544/GA

betreft: [klager] datum: 15 april 2003

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennis genomen van een op 2 december 2002 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak d.d. 25 november 2002 van de beklagcommissie bij de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Overijssel, locatie Zwolle, te Zwolle,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

De beroepscommissie heeft de directeur van voormelde p.i. in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager om het beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft een vordering van de directeur van fl. 600,- en de terugbetaling daarvan, welk bedrag tijdens een eerder verblijf in de p.i. Zwolle ten onrechte op klagers
rekening-courant is gestort.

De beklagcommissie heeft het beklag op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven ongegrond verklaard ten aanzien van de betaling van het onverschuldigde bedrag en gegrond verklaard ten aanzien van de hoogte van hetonverschuldigde bedrag. De beklagcommissie heeft voorts bepaald dat klager in plaats van het bedrag van fl. 600,- een bedrag van fl. 300,- aan de inrichting dient terug te betalen.

2. De standpunten van klager en de directeur
Klager heeft zijn standpunt, zoals ingenomen tegenover de beklagcommissie, in beroep als volgt toegelicht.
Het bedrag van fl. 600,- dat ik volgens de inrichting in 1999 onverschuldigd heb ontvangen, en dat ik thans aan de inrichting moet gaan terugbetalen, heb ik nooit ontvangen. De inrichting kan niet aangeven naar welke rekening ze datbedrag hebben overgemaakt dan wel hoe ze het hebben betaald. Eerst zei men dat ik het geld had meegekregen toen ik uit de inrichting werd ontslagen. In dat geval had ik ervoor moeten tekenen. Een ontvangstbewijs hebben ze echterniet. Ze hebben geen enkel bewijs dat ik dat geld heb ontvangen. Ik vermoed dat ze het hebben overgemaakt of betaald aan een andere persoon met de naam Bakker. Op dit moment zitten hier drie mensen gedetineerd die dezelfdeachternaam hebben als ik. Er gaat dan ook vaak van alles mis. Het bedrag van fl. 600,- hadden ze reeds afgeboekt als verlies. Ik maak er bezwaar tegen dat ik nu na drie jaar en wel nadat ik toevallig weer in de locatie Zwollegedetineerd ben, moet gaan terugbetalen. Ik ben daartoe niet bereid omdat ik dat geld niet heb gekregen. Laten ze dat geld alsnog maar geven. Ze komen wel met allerlei computeruitdraaien waaruit zou blijken dat ik dat geld hebontvangen maar een handtekening voor ontvangst hebben ze niet.
De directeur heeft daarop geantwoord als tegenover de beklagcommissie. Voorts heeft zij medegedeeld dat uit de boekingsdocumenten wel degelijk blijkt dat er destijds ten onrechte een bedrag van fl. 600,- op de rekening van klager isgestort. Klager is destijds geen ontvangstbewijs verstrekt. Deze overboekingen stonden uiteraard wel in zijn weekoverzicht vermeld. Gezien het feit dat klager destijds fl. 600,- teveel heeft ontvangen, lijkt een tegemoetkoming nietop zijn plaats.

3. De beoordeling
Voldoende aannemelijk is geworden dat medio 1999 op klagers rekening-courant eerst een bedrag van fl. 600,- en vervolgens een bedrag van fl. 634,33 is bijgeschreven. Het bedrag van fl. 600,- was een voorschot op de definitieveoverboeking van het saldo van klagers rekening-courant in de inrichting waar klager eerder verbleef. Die inrichting heeft vervolgens -ten onrechte- nogmaals(nu) het volledige bedrag ad fl. 634,33 overgeboekt naar de rekening vanlocatie Zwolle. Beide bedragen zijn vervolgens ten volle overgeboekt op klagers rekening-courant en (uiteindelijk) uitbetaald aan klager. Gelet op het vorenstaande acht de beroepscommissie aannemelijk dat een bedrag ad fl. 600,-indertijd onverschuldigd aan klager is betaald. Uit hoofde van die onverschuldigde betaling heeft de directeur daarom een vordering op klager ter hoogte van dat bedrag. Die vordering is in beginsel opeisbaar. Nu klager, blijkenszijn verklaring tegenover de beklagrechter, heeft ingestemd met een terugbetalingsregeling (in te gaan nadat een andere terugbetalingsregeling is geëindigd), is de directeur gerechtigd – na beëindiging van de terugbetalingsregelingmet de locatie Arnhem-Zuid - om maandelijks het met klager overeengekomen bedrag af te schrijven van zijn rekening-courant.
Dit maakt dat de onderhavige beslissing van de directeur niet in strijd is met de wet, noch dat die beslissing, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht. Het beroep zal daaromongegrond worden verklaard. Nu de beklagcommissie in haar uitspraak heeft bepaald dat een bedrag van fl. 300,- moet worden terugbetaald en alleen klager beroep heeft ingesteld, is er geen aanleiding om te bepalen dat het volledigebedrag moet worden terugbetaald. De uitspraak van de beklagcommissie zal daarom worden bevestigd.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. P.C. Vegter, voorzitter, mr. J.P. Balkema en dr. J.P.S. Fiselier, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 15 april 2003

secretaris voorzitter

Naar boven